Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Afasie: 9 valkuilen in de communicatie

Rhijja Jansen
Rhijja Jansen
Afasie is een taalstoornis die veel voorkomt bij mensen met Niet-aangeboren hersenletsel (NAH). De communicatie met iemand met afasie gaat niet altijd goed. Margriet Wijngaarden -logopedist bij het BovenIJ ziekenhuis en afasietherapeut bij Stichting Afasietherapie Amsterdam- zet op een rij wat je vooral níet moet doen.
Foto: kubko / stock.adobe.com
  1. Luider praten: ‘Sommige zorgverleners hebben de neiging om harder te praten tegen iemand met afasie. Dat kan automatisch gebeuren, als je je boodschap duidelijk wil laten overkomen. Maar mensen met afasie zijn niet doof, ze begrijpen je woorden niet altijd even goed. Overigens is kinderlijke taal gebruiken –zoals verkleinwoorden- ook uit den boze. De taalstoornis onstaat door hersenletsel, maar dat betekent niet dat iemand ook het niveau van een kind heeft.’
  2. Te lange zinnen gebruiken: ‘Wanneer iemand met afasie moeite heeft om je te begrijpen, probeer dan korte zinnen te gebruiken, waar je een duidelijke punt achter zet. Je laat dus een korte stilte vallen na elke zin. Dus vertel niet een verhaal met allerlei bijzinnen, zoals: “We gaan straks naar de supermarkt en daarna moeten we nog even langs de apotheek, en oh Marja kwam net nog even langs om te vragen of ik de hond wil uitlaten…” Maar hak de zin in korte stukjes en spreek langzaam.’
  3. Ongeduldig zijn: ‘Het is wellicht een open deur, maar de tijd nemen is van essentieel belang bij de communicatie met iemand met afasie. De tijd nemen om je boodschap duidelijk te laten overkomen. Maar ook de tijd nemen om je cliënt te laten reageren. Dat betekent dat je soms even moet wachten tot je cliënt op de juiste woorden komt. Ik weet dat dat lastig kan zijn voor verzorgenden, want ze hebben het druk. Maar als je niet geduldig bent, wordt de communicatie aan beide kanten mogelijk niet begrepen en ben je uiteindelijk waarschijnlijk nóg meer tijd kwijt.’
  4. Op dezelfde toon praten: ‘Monotoon praten vergroot het risico dat je cliënt je niet begrijpt. Het helpt wanneer je belangrijke woorden benadrukt met een klemtoon. Dus je zegt bijvoorbeeld: “We gaan straks naar de húisarts. Met de áuto.’
  5. Niet letten op de lichaamstaal: ‘Aan lichaamstaal kun je ongelofelijk veel aflezen, bijvoorbeeld of je cliënt je wel begrijpt. Wees hier dus altijd alert op, door goed naar je cliënt te kijken. Wanneer hij onzeker kijkt, is dat meestal een teken dat je boodschap niet duidelijk is. Je kunt dan je boodschap met andere woorden zeggen, het opschrijven, dingen uitbeelden of aanwijzen. Hoe je kunt aflezen of iemand niet meer begrijpt wat je zegt? Dat zie je aan een wazige blik, of als je cliënt geen oogcontact meer met je maakt. Mensen met afasie die langer in zorg zijn, hebben meestal een communicatieadvies van een logopedist in hun bezit. Hierin kun je lezen hoe je boodschappen overbrengt. Maar ik zou als verzorgende ook standaard pen en papier bij de hand hebben, zodat je woorden kunt opschrijven of een tekening kan maken. Als je twijfelt of de ander je nog wel snapt, kun je dit tussendoor ook checken door te vragen: “Kunt u het nog volgen?” Wees hierbij alert op sociaal gewenst gedrag: sommige mensen kunnen knikken, terwijl ze het eigenlijk níet helemaal snappen.’
  6. Gaan raden naar woorden: ‘Bij mensen met afasie kan het even duren voordat ze op de juiste woorden kunnen komen. Als ze hiermee worstelen, kun je de neiging hebben om te gaan raden wat de ander wil zeggen. “Bedoelt u dit? Of dit?” Vaak is dit goed bedoeld, of het komt door tijdsdruk. Hoe dan ook: meestal vinden mensen met afasie het niet fijn als je gaat gokken naar wat ze bedoelen. Hier kom je pas echt achter als je hiernaar vraagt: “Zal ik u helpen, of wilt u zelf even zoeken?” Want de ene cliënt vindt het wel fijn als je meedenkt, de ander wil het zélf doen. Ook hier speelt tijd en geduld een belangrijke rol.’
  7. Twee dingen tegelijk vragen: ‘”Wilt u koffie of thee?” kan een lastige vraag zijn voor iemand met afasie, want soms zit de taalstoornis zo in elkaar dat de cliënt het laatste woord dat gezegd wordt herhaalt. Dus dan weet je nog niet zeker wat je cliënt wil. En het is makkelijker als je de vraag versimpelt, zodat de ander alleen “ja” of “nee” hoeft te zeggen. Dus zeg liever: “Wilt u thee?” En daarna, als het antwoord “nee” is: “Wilt u koffie?” Ook is het vaak makkelijker als je gesloten vragen stelt, dan open vragen. Dus liever: “Voelt u zich verdrietig?” Dan: “Hoe voelt u zich?”
  8. Ongemak willen vermijden: ‘Hoe hard je ook je best doet, soms lukt het je écht niet om te begrijpen wat je cliënt met afasie wil zeggen. Dat kan gebeuren en overkomt mij als logopedist ook wel eens. Dat kan ongemakkelijk aanvoelen, waardoor je de neiging hebt om te doen alsof je het wél snapt. Doe dat niet, want hierdoor kunnen belangrijke boodschappen van je cliënt verloren gaan. Stel je voor dat hij vraagt of je nieuwe medicijnen wilt ophalen en jij antwoordt dat dat goed is, zonder dat je de vraag begreep? Durf het ongemak in zo’n situatie toe te laten en zeg gewoon iets als: “Sorry, ik begrijp u niet. We laten het nu even. Dan proberen we het straks weer.” Dat kan voor jullie allebei een opluchting zijn én je neemt je cliënt serieus.’
  9. Vragen met een ontkennend woord gebruiken: ‘Pas op dat je geen dingen zegt zoals: “Wilt u niet naar buiten?” Dat kan een ingewikkelde vraag zijn voor iemand met afasie. Want zegt hij “ja” op de vraag of hij naar buiten wil, of “ja” op de vraag of hij NIET naar buiten wil. Deze verwarring voorkom je door het woordje “niet” weg te laten.’

Meer info en tips: afasienet.com

Blijf op de hoogte van nieuws over afasie met de gratis online nieuwsbrief van TVV voor Verzorgenden >>