Gastblog thuiszorg: ‘Ga maar naar de volgende, ik hoef geen zorg meer!’ 

Verzorgende ig Joyce Bleeker beschrijft één avonddienst in de thuiszorg, waarna ze in huilen uitbarst: 'Ik voel de spanningen en angsten van mijn cliënten.'

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Foto: Jan Willem Schouten

Een maand geleden was alles nog koek en ei, maar in wat voor gekke realiteit zijn we nu toch terecht gekomen. We gaan van nieuwsbericht naar persconferentie. Van het ene advies naar het andere. Zelf ben ik niet bang voor wat het is, maar over wat het kan gaan worden maak ik me zorgen. Niet alleen ik, maar mijn hele gezin moet zich aanpassen aan mijn werk als verzorgende in de thuiszorg. Mijn kinderen zijn boos dat ze hun vriendjes en vriendinnetjes niet kunnen zien. En mijn jongste stond intens verdrietig naar me te schreeuwen dat ze mij en mijn werk haat. Toch weten ze en snappen ze heel goed, omdat mama dit werk doet, kan en mag dat nu echt even niet.

Emotioneel  wrak

Ik merk dat ik al een paar weken met een knoop in mijn maag en een gemene pijnlijke steek in mijn hoofd rondloop, chronische hoofdpijn lijkt het wel inmiddels. Niet alleen die pijnlijke steek, maar ook de onrust in mijn hoofd doet me zo nu en dan neerzetten als emotioneel wrak. Om een poep en een scheet kan ik in janken uitbarsten of geïrriteerd reageren naar mijn omgeving. Ik ben erachter gekomen dat ik de angsten en spanningen van mijn cliënten, de onrust thuis door mijn thuiswerkende partner en de ‘thuisscholing’ van mijn kinderen veel van in ieder geval mijn hoofd vragen. Waar ik normaal gesproken ergens nog een rustmoment kon inplannen of ergens heen kon gaan om mijn hoofd te legen, ben ik nu aangewezen op thuis, of omgevingen waar angst en onrust de boventoon voert.

Om een kleine indruk te geven met welke emoties ik te maken heb in de wijk, deel ik maar een paar van deze ‘kleine’ momentjes uit één avonddienst in deze gekke tijd:

Vanachter de deur verschijnt voorzichtig het hoofd van mijn cliënt. Strak ingewikkeld in een sjaal. Ik krijg het er bijna zelf benauwd van. ‘Kom maar binnen, maar niet tegen me praten, van jouw speekseldruppels word ik straks nog ziek. Nergens aan zitten, ik weet niet waar jouw handen hebben gezeten.’ Verschrikt loop ik achter mijn cliënt aan en zorg dat ik zo snel en zo voorzichtig als ik kan de zorg geef die nodig is. Ik knik, ik glimlach, ik zwaai en ga zo snel mogelijk weer naar buiten. Met een gevoel van ongenoegen, maar ik begrijp mijn cliënt zijn angst zo.

***

De deur gaat open: ‘Oh ik ben zo blij dat je er bent, ik kan het echt niet meer aan. Ik ben zo bang, geloof je dat? Ze hebben het verzorgingshuis zo maar dicht gedaan. Ik kan niet eens meer naar mijn man toe. Wat nou als er wel iemand ziek wordt, dan gaat hij dood echt hoor en dan heb ik niet eens afscheid kunnen nemen.’ Ik ben nog niet eens binnen en ik schrik een beetje van de emotie die ik nu al voel. Ik zeg: ‘Kom, we gaan even naar binnen, gaat u maar aan tafel zitten dan pak ik voor u een glaasje water.’ Ik pak mijn cliënt bij haar arm en help haar op weg naar de tafel. Zet een glas water voor haar neer en ga tegenover haar zitten. Ik luister naar haar verdriet en probeer haar te troosten, op afstand dan natuurlijk, want dat zijn nu de regels. Gelukkig trekt ze een beetje bij en wanneer ik vertrek krijg ik een klein glimlachje en een ‘dank je wel’.

***

Wanneer ik voor de tweede keer heb aangebeld bij mijn volgende cliënt, zie ik dat er stiekem naar me wordt gegluurd achter de gordijnen. ‘Ben je ziek, hoest je?’ Wordt er door het glas naar mij geroepen. ‘Nee zeker niet!’  antwoord ik en probeer m’n liefste glimlach op te zetten. Met mijn blik probeer ik mijn cliënt te overtuigen mij binnen te laten, maar het wantrouwen en de angst is door het raam voelbaar. ‘Nee hoor, ga maar naar de volgende, ik hoef geen zorg meer, ik red het wel!’  Normaal gesproken zou ik proberen toch een opening te vinden om binnen te komen, maar nu voel ik dat de angst en het wantrouwen het van mij zal winnen en ik druip af.

***

De deur is al open, dus ik stap zo naar binnen. Daar zit ze, ogen die nog donkerder zijn dat de late avond waarin we ons nu bevinden. Ik ga bij haar aan de keukentafel zitten. Netjes aan de andere kant natuurlijk, om voldoende afstand te houden. Ze kijkt me aan en zegt: ‘Ik heb de oorlog meegemaakt en weet je meisje, dit voelt net zoals toen. Echt hoor, dit voelt net zo erg.’ De tranen staan in haar ogen en ze is echt wel flink van de kaart. Ze heeft een goede knuffel nodig, even wat echte aandacht. Zo eenzaam en zo alleen. Contact alleen nog maar via de telefoon en als ze dan toch even naar buiten gaat, is dat snel een blokje om zodat ze niemand tegenkomt. Die knuffel kan ik haar niet geven, maar met een dichtgeknepen keel, probeer ik haar toch die aandacht te geven die ook zij verdient en zo hard nodig heeft. Dan maar wat later thuis, maar ik mag en kan haar nu niet zo achterlaten.

***

Eenmaal thuis ligt mijn hele gezin heerlijk te slapen, de kat en de hond samen snurkend in de hondenmand, naar boven lopend hoor ik hoe mijn partner en twee meiden ook al heerlijk in diepe slaap zijn. In de badkamer trek ik huilend mijn werkkleding uit, en was ik voor de naar mijn gevoel al de honderdste keer mijn pijnlijke, bloedende handen. Ik huil niet alleen omdat mijn ontvelde handen gruwelijk zeer doen, maar ook door alle emoties van mijn normaal zo vrolijke en positieve cliënten. Ik huil omdat ik weet dat dit nog veel langer gaat duren en dat ik hoop dat wij allemaal niet alleen dit virus verslaan, maar ook dat mijn cliënten de angsten en de zorgen weer te boven komen, voordat het straks hun ondergang wordt.

Meer blogs lezen van Joyce? Klik dan hier voor haar website Blog met Zorg >>

Verzorgende Julian werkt op een corona-afdeling: ‘Het is eng, je kunt hier PTSS van krijgen.’ Lees hier een indrukwekkend interview >>