Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Zo praat je met cliënten bij afasie na een beroerte

De taalstoornis afasie brengt veel frustratie met zich mee, zowel voor de cliënt als voor de naasten. Wij hebben een aantal tips die jou helpen bij het geven van ondersteuning.

Afasie na beroerte (CVA)
© Photo by mQ / Generated with AI / Stock.adobe.com

Bij ongeveer 30 procent van de mensen die een CVA (beroerte) overleven ontstaat afasie. Deze taalstoornis is het gevolg van niet-aangeboren hersenletsel. ‘Afasie’ betekent letterlijk ‘a’ (= niet) ‘fasie’ (= spreken).

Mensen met afasie hebben moeite met spreken, begrijpen, lezen en schrijven. Stoornissen bij het spreken zijn vaak het meest opvallend en het meest storend. Zowel voor de cliënt als zijn omgeving.

Praten en checken

In de meeste gevallen treedt er in de eerste 3 tot 6 maanden na de beroerte enige mate van spraak- en taalherstel op. Binnen 3 maanden moet de cliënt ondersteuning van de logopedist krijgen. Daarnaast kan de cliënt zelfstandig oefeningen met digitale of papieren oefenprogramma’s maken. Maar jij als verzorgende kan daarin ook ondersteuning bieden.

Het is belangrijk dat de cliënt zelf de gelegenheid krijgt om te praten, maar ook dat hij jou begrijpt. Dit kan je checken door je taalgebruik aan te passen. Bijvoorbeeld door dezelfde vraag op een andere manier te stellen:

‘Wilt u uit bed?’

‘Wilt u in de stoel?’

‘Gaat u nu in de stoel zitten?’

Wil jij meer weten over omgaan met niet-aangeboren hersenletsel?

Kom dan naar het congres Niet-aangeboren hersenletsel op 23 september 2026 in Ede. Met onder andere:

  • De juiste aanpak in de vroege fase na hersenschudding voorkomt ellende!
  • Optimaal samenwerken en communiceren met cliënt, het netwerk en collega’s.
  • Emotionele veranderingen bij niet-aangeboren hersenletsel (NAH) begrijpen en begeleiden.

Voor meer informatie over het programma en de sprekers, klik hier.

Wilt u koffie?

Mensen met afasie na een beroerte begrijpen alledaags taalgebruik vaak minder goed. Daarom is het belangrijk dat jij je taalgebruik aanpast aan wat de cliënt wel begrijpt. Kies een rustige plek om het gesprek met de cliënt aan te gaan. Let hierbij ook op non-verbale signalen zoals gezichtsuitdrukkingen, de toonhoogte van jullie stemmen en op gebaren.

Maak duidelijk waar het gesprek over gaat. Spreek op een rustige toon in korte zinnen, waarin je de belangrijkste woorden benadrukt. Wissel niet te snel van onderwerp. En stel geen gesloten vragen. Dus niet: ‘Wilt u koffie of thee?’, maar: ‘Wilt u koffie?’.

Iemand met afasie heeft meer tijd nodig om iets duidelijk te maken, dus geef de cliënt ook de tijd. Probeer niet te snel woorden uit iemands mond te halen. Het belangrijkste is dat iemand met afasie begrepen wordt. Het spreken hoeft niet perfect te zijn.

Hoe herken je afasie?

Iemand met afasie kan niet meer spreken zoals gewenst als gevolg van een beroerte. In sommige ernstige gevallen kan iemand helemaal niet meer spreken. Dat uit zich bijvoorbeeld in moeite hebben met het onderscheiden van spraakklanken. Of in het begrijpen van de betekenis van woorden.

Bijna alle cliënten met afasie hebben moeite met woordreeksen (zoals ‘wijs het raam aan’ of ‘wijs de deur aan’). Maar ook met complexere grammaticale zinsconstructies (‘de buurvrouw van de moeder van de gymleraar’). Ook de vaardigheid om te lezen en schrijven neemt vaak sterk af bij afasie.

Dit artikel verscheen eerder op Nursing.nl.

Bronnen